| Carrières of barrières in de
kunsten Onderzoek
Het glazen plafond in de culturele sector
Uit onderzoeken naar het glazen plafond is algemeen bekend dat de bestaande cultuur van organisaties,
dat wil zeggen de heersende waarden, normen en opvattingen over zaken als arbeid, de verdeling arbeid
en privé-leven, leiding geven et cetera, voor vrouwen barrières opwerpt. De vraag is of
dat in dezelfde mate geldt voor de kunstwereld, waar immers talent en kwaliteit de doorslaggevende
factoren in een carrière heten te zijn. Om een beeld te krijgen van de situatie in de
kunstwereld werd in 2001 onder verantwoordelijkheid van prof. dr. Agneta Fischer van de Universiteit
van Amsterdam en zogenaamde nulmeting uitgevoerd. Bij dit onderzoek waren in totaal 413 organisaties
binnen 5 kunstsectoren betrokken (beeldende kunsten, theater, muziek, cultureel erfgoed en media).
Ten eerste werd nagegaan hoe de man-vrouw verdeling in de verschillende cultuursectoren is, en ten
tweede wat mogelijke verklaringen voor deze verdeling zijn.
Het aantal vrouwen in leidinggevende posities is vergeleken met andere maatschappelijke sectoren
relatief hoog, namelijk 31%. In de media is de verhouding het scheefst (21%), in de beeldende kunsten
het meest in balans (43%). Opvallend is dat vrouwen vaker zakelijk leidinggevende functies hebben dan
artistiek leidinggevende. In de grote culturele instellingen is hun aandeel in de hogere leidinggevende
functies zeer gering.
Ter verklaring van de achterstand van vrouwen in hogere functies is gekeken naar de feitelijke en
gewenste organisatiecultuur binnen de verschillende sectoren. Het blijkt dat sectoren waar minder
vrouwen werken lager scoren op feminieme cultuurdimensies zoals het benadrukken van collegialiteit en
de mogelijkheid om privé en werk te combineren. Bovendien is in alle culturele sectoren sprake
van een masculien beeld van leiderschap: men vindt dat leidinggevenden vooral stressbestendig,
ambitieus, analytisch, zelfverzekerd en wilskrachtig moeten zijn. Over het algemeen worden aan vrouwen
minder van deze eigenschappen toegeschreven, waardoor hun kans om in leidinggevende functies terecht
te komen kleiner is dan die van mannen. Een van de aanbevelingen van het rapport luidt: om ook voor
vrouwen in grotere organisaties de kansen te maximaliseren, zouden de succesfactoren uit kleinere
organisaties geïmplementeerd moeten worden in grotere organisaties.
Het onderzoek van Agneta Fischer werd In het najaar van 2001 afgerond.
De resultaten vormden het uitgangspunt voor de conferentie De Macht van het Imago (TIN, 22 januari 2002).
De publicatie Het glazen plafond in de culturele sector. Feiten en verklaringen
(Agneta Fischer, Krystyna Rojahn, Inkie Struyk, Universiteit van Amsterdam, 2002) kunt u bestellen .....
Terug «
Kunst-werk V/M
Merijn Rengers combineerde in 2001 de resultaten van drie recente loopbaanonderzoeken:Rollen en
rolpatronen. Loopbanen van vrouwen en mannen in de podiumkunsten (Inkie Struyk
en Merijn Rengers, Universiteit Utrecht), We zijn er bijna, maar nog (lang) niet helemaal.
Over loopbanen van vrouwen in de beeldende kunst (Mieke Coupé, Erasmus Universiteit
Rotterdam) en Toontje lager? Loopbaanverschillen tussen mannen en vrouwen in de toonkunsten(Nora Maartense, Universiteit Utrecht).
Er blijken grote verschillen te bestaan tussen de loopbanen van vrouwen en mannen in de kunstsector.
In de meeste kunstdisciplines zijn er flinke inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen
(het bruto jaarinkomen van mannen is 22 tot 30% hoger), terwijl mannen gemiddeld slechts een paar uur
meer werken dan vrouwen. Ook blijkt dat mannen meer activiteiten ontplooien die direct samenhangen
met het kunstenaarschap (optredens, exposities, opdrachten en dergelijke), dat het formele netwerk van
mannen in het algemeen meer werk oplevert dan dat van vrouwen en dat de vrouwelijke respondenten meer
gebruik maken van subsidies en andere regelingen van de overheid. De verschillen in loopbaansatisfactie
tussen mannen en vrouwen zijn evenwel veel geringer dan men op grond van de verschillen in feitelijke
loopbaanontwikkeling zou verwachten.
Rengers onderscheidt twee typen verklaringen:
- macroverklaringen: deze betreffen verschillen in beloning en in invulling van de werkweek; in
taakopvatting omtrent zorg; in opleiding of andere formele kwalificaties; in leeftijd; en
verschillen tussen de kunstdisciplines, en
- microverklaringen: die hebben betrekking op het feit dat vrouwen een andere loopbaan ambiëren
dan mannen; dat vrouwen, als er kinderen zijn, daar meer tijd aan besteden dan mannen; dat
vrouwen meer moeite hebben met het opbouwen en onderhouden van hun netwerk; en dat de loopbanen
van vrouwen vaker stagneren dan die van mannen.
Rengers concludeert dat de verschillen in de carrières van mannen en vrouwen in de kunstsector,
gezien de complexiteit van die verschillen, waarschijnlijk niet vanzelf zullen verdwijnen.
De kunstsector lijkt wat betreft de sekseongelijkheid minder afwijkend van de andere sectoren dan men
op het eerste gezicht zou denken. Deze constatering leidt tot de suggestie dat het niet voor de hand
liggend is om – bij pogingen de sekseverschillen in de kunstsector te verkleinen – een andere route te
kiezen dan die elders in de samenleving gevolgd wordt.
Hans van Maanen (Rijksuniversiteit Groningen), Lucia van Westerlaak (FNV KIEM) en Stef Oosterloo
(Ministerie van OCenW) werden uitgenodigd om het onderzoeksrapport kritisch te lezen en
beleidsaanbevelingen te geven. Die betroffen regelingen omtrent kinderopvang, subsidies,
(bij)scholing, coaching, netwerken, onderzoek, kunstvakonderwijs en overheidsmaatregelen.
Kunst-werk (V/M) werd gepresenteerd tijdens de expertmeeting Verborgen Wetten (TIN, 4 oktober 2001).
Het onderzoeksrapport Kunst-werk (V/M). Loopbanen van vrouwen en mannen in de beeldende kunst,
muziek en podiumkunsten (Merijn Rengers, Universiteit Utrecht, 2001) kunt u bestellen .....
Terug «
Copyright © 2002-2004 Theater Instituut
Nederland
|