Artikelen

De Spelers van de Omroep
auteur: Ad van der Logt

Terug  « 

geplaatst: 5 april 2004

Tijdens het eerste jaar in het bestaan van de toneelgroep De Voortrekkers1 had men binnen het DVK (Departement van Volksvoorlichting en Kunsten) niet stil gezeten. Met argusogen werd het gestuntel en geruzie bij De Voortrekkers gevolgd en al spoedig, in het najaar van 1941, werden op het departement plannen ontwikkeld om de toneelspeelkunst daadwerkelijk te nazificeren.

Omdat de 'beste' nationaal-socialistische acteurs deel uitmaakten van de hoorspelkern van de Nederlandsche Omroep (voortaan NO) lag het voor de hand dat deze groep voor het ontwikkelen van goed nationaal-socialistisch toneel werd ingeschakeld. Het was geenszins de bedoeling om de hoorspelacteurs onder te brengen in een nieuwe NSB-toneelgroep; dat zou Herwyer, de directeur van de NO nooit hebben toegestaan. Het is zelfs de vraag of de spelers een overstap gemaakt zouden hebben, omdat ze bij de omroep in een gunstigere financiële situatie (o.a. een vast pensioen) ver­keerden dan bij een willekeurig toneelgezelschap. Derhalve ontwikkelde Frans Primo2, het hoofd van de afdeling Theater en Dans op voornoemd departement, het idee om de spelers van de omroep een eenmalige, korte tournee te laten maken. Zowel voor het DVK als voor de NO zou een samenwerking gunstige effecten kunnen hebben. Het is duidelijk dat deze groep een voorbeeld moest zijn voor alle andere groepen, die in de toekomst nationaal-socialistisch toneel wilden spelen. De propagandistische waarde van de tournee werd nog vergroot door het bezoek van ver­schillende NSB-coryfeeën aan de diverse voorstellingen. Zo werd een opvoering van de Spelers van den Omroep3 in Utrecht bijgewoond door Anton Mussert (leider van de NSB), W.B. Engelbrecht, de commissaris van de provincie Utrecht, en burgemeester C. Ravenswaay. Voor de Omroep was het belangrijk dat de nieuwe hoorspelkern contact kreeg met het publiek en zodoende populair kon worden. Gratis propaganda voor het vak van hoorspelacteur was een tweede voordeel. Als dit vak ook op de toneelschool geleerd zou worden, zou de Omroep nieuwe, misschien betere, talenten kunnen aantrekken.

Tegelijkertijd besloot men in de top van het DVK een nieuwe, professionele nationaal-socialistische toneelgroep op te richten. Deze groep zou later bekend worden als het Noord­hollandsch Tooneel4. Voor de tournee van de Spelers van de Omroep, soms Omroepspelers genoemd, kon men de hulp inroepen van Jan C. de Vos jr, de voormalige leider van Fascio5. Omdat hij nog maar kort als hoofd van de afdeling hoorspeluitvoeringen en tevens eerste regisseur aan de omroep verbonden was en omdat er bovendien geen geschikt repertoire voorhanden was, nam de hele voorbereiding een aantal maanden in beslag. Toen Frans de Prez Het kan verkeeren kwam aanbieden was men direct enthousiast. De repetities werden gehouden in theater Gooiland te Hilversum.
Frans de Prez was een in Nederland weinig gespeeld auteur. In België schijnt het Vlaamsch Volkstooneel onder leiding van Staf Bruggen een enkel stuk van hem gespeeld te hebben. Het kan verkeeren met als hoofdpersoon Gerbrand Adriaansz. Bredero is een onderdeel uit een reeks van drie. De Prez had de scheppingsdrang die nodig is om een kunstwerk te maken, als onderwerp genomen voor zijn eigen toneelstukken. Steeds werd een kunstenaar die met deze problematiek geworsteld had en wiens leven enigszins gedramatiseerd kon worden tot hoofdpersoon gekozen. Zo schreef hij een blijspel over Paul Verlaine, een symbolisch spel over Vincent van Gogh en een historisch spel over Bredero. De keuze voor Bredero werd door de Prez als volgt verklaard: "Ik koos de figuur van Bredero, omdat hij zich in zijn blijspelen en in zijn lyriek geheel en al instelde op hetgeen wij zien met de oogen en hooren met de ooren. Zijn werk is gezond en bloedrijk. Vaart hij uit in menschelijke woede, nimmer ziet men bitterheid, zijn handelen is altijd een daad van kracht en levenslust. Door de uiterlijke omstandigheden kwam Bredero op een hem als kunstenaar eigene wijze tot vrede met God. Het zijn bij Bredero meer de omstandigheden die hem tot een bepaalde handeling brengen6."
Een beweegreden om dit stuk te spelen is geweest dat "Bredero, veel meer dan de gedegen Vondel of den zwierigen Hooft, een dichter was die midden in het woelige stadsleven stond en zijn werken schreef vanuit en voor het volk."7 We zouden kunnen zeggen dat Bredero in de ogen van de nationaal-socialisten een 'volkser' schrijver was dan Vondel en Hooft.

Het kan verkeeren8 verhaalt op langdradige wijze de laatste levensjaren van Gerbrand Adriaanszn. Bredero. De opbouw in 6 taferelen is ongelijksoortig, het eerste tafereel beslaat ruim eenderde van het hele stuk en vertelt niet veel meer dan de verliefdheid van Bredero voor Aleida Jans, een herbergierster, en het bezwaar van zijn vader tegen een voorgenomen huwelijk. Zijn andere liefde voor Magdalena Stockmans mondt niet uit in een huwelijk. Tussen deze persoonlijke be­slommeringen door wordt de geschiedenis van de Nederduytsche Academie van Coster, waarvan Bredero lid was, en de ruzie met de andere Amsterdamse kamer 'd'Eglantier' beschreven. De ruzie komt tot een hoogtepunt als de leider van 'd'Eglantier', Ridder Rodenburg, model blijkt te hebben gestaan voor Jerolimo uit de Spaanschen Brabander . Als Bredero zwaar ziek is, na een drinkgelag is hij met een slede door het ijs gezakt, wordt de ruzie bijgelegd. Omdat zijn geliefde aan een ander is uitgehuwelijkt heeft het leven voor hem geen zin meer. Toch verzoent Bredero zich, mede op aanraden van zijn vriend Vondel, na een losbandig, maar eerlijk leven met God.

Dat de voorstellingen zeer geslaagd werden genoemd hoeft ons niet te verbazen Vooral het spelen van een Nederlandstalig werk van een Nederlandse auteur werd als een doorbraak gezien. Het was in de ogen van de NSB niet meer dan billijk dat Frans de Prez, een auteur die al jarenlang in de Bond van Nederlandsche Tooneel­schrijvers voor een dergelijke aanpak tevergeefs had gepleit, deze eer werd gegund. Na de première in Den Haag volgden voorstellingen in Hilversum, Rotterdam, Assen, Maastricht, Leeuwarden, Groningen, Utrecht, Arnhem en Den Bosch.
Of de voorstellingen nu werkelijk zo goed waren als de kranten hadden geschreven valt te betwijfelen. Hoewel J. van Gorkom van de Rundfunk-Betreuungs-Stelle in Hilversum en Herweyer Jan C. de Vos complimenteerden met zijn voorstelling, hoorde men binnen de omroep ook andere geluiden. De chef van de afdeling reportage, Van Heusden, was van mening dat de Vos de voorstellingen van Het kan verkeeren "in de soep had gereden"9, zodat men voor de propaganda voor de eerste voorstelling van het Noordhollandsch Tooneel niet op zijn medewerking hoefde te rekenen. Een ietwat raadselachtige formulering in de recensie van Het Nationale Dagblad completeert dit beeld. Kon het publiek met de opvoering van Het kan verkeeren zien wat volksche toneelspeelkunst voorstelde, daarnaast moest men concluderen "dat tooneel- en radio-spelen twee aparte kunstuitingen zijn en aan beide volkomen andere eischen gesteld worden." 10 Vooral de toevoeging "Het is hier niet de plaats op dit onderwerp nader in te gaan, maar een nauwlettend toehoorder zal hieruit zijn conclusies kunnen trekken" 11 kan duiden op een minder geslaagde voorstelling.
Na de tournee hielden de Omroepspelers op te bestaan. De activiteiten werden voortgezet door Het Noordhollandsch Tooneel, de NSB-toneelgroep o.l.v. Jan C. de Vos jr., die de rest van de oorlog verschillende pogingen ondernam 'volksch' toneel in Nederland ingang te doen vinden.

1 Zie hiervoor het artikel van Hans van der Veen op de website http://www.tin.nl/wo2/index.htm
2 D. Verkijk. Radio Hilversum, 1940-1945. Amsterdam, 1974. Blz. 559.
3 Zie voor een korte geschiedenis van de Omroepspelers het artikel van Henk van Gelder op de website http://www.tin.nl/wo2/index.htm, klik op 'Artikelen'.
4 Zie ook het artikel van Henk van Gelder op de website http://www.tin.nl/wo2/index.htm, klik op 'Artikelen'.
5 Fascio had in de jaren dertig 'De dag die komt' van George Kettmann gespeeld. Dit stuk was de enige theatrale tekst voor de oorlog met een nationaal-socialistische inslag.
6 Recensie Het Nationale Dagblad, 20 maart 1942, blz. 4.
7 A. Glotzbach. Boekbespreking van Het kan verkeeren. In: De Schouw, 1943, blz. 53.
8 Rolverdeling Het kan verkeeren, zie de database; zoek op titel 'kan verkeeren'.
9 Rapport C. Veerhoff, als bijlage opgenomen in een brief van de Vos aan Primo, 11 september 1942.
NIOD, DVK-archief, map 180 Cb.
10 Recensie Het Nationale Dagblad, 25 maart 1942.
11 Ibidem

 

Terug  «