Artikelen
DE GESCHIEDENIS VAN HET NOORDHOLLANDSCH TOONEEL
auteur: Ad van der Logt
|
Terug «
geplaatst: 27 mei 2004
|
Er werd niet lang getreurd over het niet doorgaan van het SUT.
Reeds op 16 juni 1942 kreeg Jan C. de Vos jr. van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten
(voortaan DVK) toestemming een nieuw toneelgezelschap, het Noordhollandsch Tooneel (voortaan NHT),
op te richten. Als standplaats viel de keuze op Haarlem. Het NHT zou in eerste instantie de
ontwikkeling van het toneel in het algemeen en dat van de provincie Noord-Holland in het bijzonder
proberen te bevorderen.1 Met het spelen in deze provincie werd
in "een kultureele behoefte voorzien, aangezien verschillende kleinere plaatsen in de
provincie Noordholland òf geen voorstellingen te zien kregen, òf uitsluitend werden
bezocht door gelegenheidsgezelschapjes, zoo-genaamde Schmiertroepjes, die niet in staat waren
voorstellingen te geven van een behoorlijk artistiek gehalte, die niet beschikten over goede
krachten en meestal uit winstbejag laag-bij-de-grondsche stukken vertoonden." 2
Jan C. de Vos jr. heeft met zijn gezelschap een tweeledige doelstelling. In een interview in Het
Nationale Dagblad formuleert hij deze als volgt: "Het ideaal om het Nederlandsche
volk op te voeden tot werkelijke liefde voor het tooneel en om het volk tooneel te bieden van den
besten en zuiversten vorm." 3 De Vos jr. maakt niet
duidelijk wat hij met die beste en zuivere vorm van het toneel bedoelt. Sybren Modderman geeft in
De Waag een wat concretere uitwerking van deze vage omschrijving: "dat wil zeggen
af te rekenen met het ziellooze veramerikaniseerde amusementstooneel en stukken te spelen met een
inhoud, die het volk weer naar de bronnen van het eigen volksche leven kunnen terugvoeren."
4
Dat er haast wordt gezet achter de hele onderneming blijkt uit het feit dat de begroting van het
NHT slechts op een punt afwijkt van die van het SUT. De huur van de Haarlemse schouwburg is fl. 5000
duurder dan die in Utrecht. Het nadelig saldo van het NHT bedraagt derhalve fl. 257.000. Hoe immens
de subsidie voor het NHT is blijkt uit een vergelijking met Het Residentietooneel. Dit gezelschap
krijgt naast een gemeentelijke subsidie slechts fl. 37.500; dit bedrag wordt aangevuld met fl. 4500
als er een zeer bijzonder toneelstuk wordt gebracht.
De totale steun aan dramatische kunst bedraagt fl. 500.000. Het hoofd van de afdeling
Comptabiliteit van het DVK, een zekere Van der Klugt, maakt daarom bezwaar tegen een subsidie van
fl. 250.000.5 Volgens hem geeft de grote subsidie aan het NHT
begrotingstechnische problemen, omdat al het geld dat het DVK heeft te besteden in principe bedoeld
is ter verbetering van de positie van de toneelspelers in het algemeen voor het jaar 1943/44. Wat
gebeurt er als de andere gezelschappen ook een subsidie vragen? Hij stelt voor om het NHT een
subsidie te geven die alleen 2/3 van de salarissen garandeert. Van der Klugt blijft vooralsnog een
roepende in de woestijn.
Zoals hierboven6 is beschreven hebben S.L.A. Plekker, de
burgemeester van Haarlem, en A.J. Bakker, commissaris van de provincie Noord-Holland, zitting in het
stichtingsbestuur. Op 3 juli 1942 krijgen zij de statuten toegestuurd. Vier dagen later krijgt het
NHT definitief gestalte. Jan C. de Vos jr. wordt officieel tot intendant benoemd en E.W. de Blaauw
wordt als administrateur aangesteld. Bovendien geeft Tobi Goedewaagen een aanvangssubsidie van
fl. 30.000. De definitieve subsidie van fl. 250.000. wordt De Vos jr. twee maanden later toegekend
onder de volgende voorwaarden7:
1. Over de stukken wordt, ongeacht de keuring van het bureau dramaturgie, overleg gepleegd met de
afdeling Theater en Dans van het DVK.
2. Over belangrijke maatregelen en plannen in verband met opvoering en exploitatie wordt overleg
gepleegd met Frans Primo, hoofd van de afdeling Theater en Dans van het DVK.
3. Frans Primo geeft toestemming om personeelsleden van het NHT in dienst te nemen, te schorsen of te ontslaan.
4. Bij het begin van iedere maand moet een financieel overzicht worden toegestuurd aan het DVK.
5. Dit geldt ook voor de bedrijvigheid van het NHT.
6. Elk jaar moet een accountantsrapport worden overlegd.
7. Een eventueel batig saldo komt ten goede aan het Rijk.
8. Het DVK zal door een onderzoek van de boeken inlichtingen kunnen inwinnen over zaken die
belangrijk zijn voor de subsidiëring.
9. Een afschrift van de arbeidscontracten moet worden opgestuurd aan Frans Primo.
10. Het salaris van de leden van het NHT moet worden goedgekeurd door Frans Primo.
11. Er moet een inventarislijst worden bijgehouden.
12. De intendant zorgt ervoor de activiteit van het gezelschap en het artistieke niveau van de
voorstellingen zo hoog mogelijk op te voeren.
In de nationaal-socialistische kranten wordt deze eersteling van gesubsidieerd nationaal-socialistisch
toneel uitbundig verwelkomd. De grootse strijd die gestreden moet worden, zal echter niet
gemakkelijk zijn. In de kranten wordt vooral de nadruk gelegd op de problemen die een dergelijk
gezelschap, dat zichzelf zulke hoge eisen stelt, ontmoeten kan. Voor de oorlog was er geen
waardering voor de Nederlandse toneelschrijver, alles wat uit het buitenland kwam, werd in Nederland
beter gevonden dan oorspronkelijk Nederlands werk. Het kost de nationaal-socialistische critici in
1942 veel moeite om die ene uitzondering, Herman Heijermans, te noemen. Het Nederlandse volk heeft
de Nederlandstalige auteurs altijd uitgelachen, weggehoond. Ook de inspanningen van de Bond van
Nederlandsche Tooneelschrijvers, opgericht in 1923, heeft daar jammer genoeg niets aan kunnen
veranderen. Het is volgens de critici zo erg geworden dat het Nederlandse volk verworden is tot
"een volk dat in zijn nationale ontreddering onverschillig was geworden voor uitingen van
nationaal cultureel leven en dus ook voor zijn nationale dramaturgie geen belangstelling had."8 Frans Primo, hoofd van de afdeling Theater en Dans op het DVK, de subsidiegever,
gaat verder met zijn analyse: "Volk en bodem werden verloochend; het gevolg was verloochening van
eigen wezen in de kunst, dus ook in de dramaturgische. Waar volk en bodem verloochend worden, sterft de poëzie,
sterft ook het volkseigen drama, deze bij uitstek dynamische vorm van nationale poëzie."
9 'Gelukkig' heeft het NHT dit verval een halt
toegeroepen. In een interview uit 194310 meldt Jan C. de Vos jr.
niet zonder trots dat er in een tijdsbestek van een half jaar al heel wat veranderd is.
Schouwburgdirecteuren hadden hem meegedeeld dat het publiek bij de voorstellingen van het NHT
gevarieerder samengesteld was dan bij de andere voorstellingen. Dit past uitstekend in de filosofie
van De Vos jr.: "Wij willen niet spelen voor een bepaalde groep, maar voor het volk. De
gewone arbeider willen wij in de zaal hebben." 11
De acteurs
Een toneelgezelschap dat zulke eisen aan zichzelf stelt, heeft niet alleen te kampen met een
weerbarstig publiek, maar ook met de vraag de toneelspelers te vinden die hun schouders onder deze
opdracht willen zetten. Toen De Vos jr. in 1942 begon, hadden de meesten, als ze al werk hadden, een
contract voor het lopende seizoen. Op hen hoefde hij dus niet te rekenen. De toneelopleiding was
volgens De Vos jr. van zo'n slecht gehalte dat er geen goed geschoolde spelers waren. Daarbij dacht
hij dan nog niet eens aan spelers die een klassieke tragedie konden spelen. Maar niet alleen
speltechnisch waren er met betrekking tot de toneelspelers problemen. Ook op het ideologische vlak
lagen ze voor het oprapen, "want de toneelspeler, die zich aan dit werk zetten wil, moet
ook door een innerlijke overtuiging gedragen worden, die niet alleen zijn beroep betreft."
12 Dit alles betekende dat De Vos jr. voor zijn gezelschap veel
jonge onervaren spelers en speelsters moest rekruteren. De 'innerlijke overtuiging' kan slechts
geïnterpreteerd worden als de nationaal-socialistische, eventueel gekoppeld aan een
lidmaatschap van de NSB. Deze eis vormde een tweede beperking.
Een derde probleem werd veroorzaakt door de overheid en de schouwburgdirecties. In de zomer van
1942 hadden vele directeuren hun programma voor het speeljaar 1942/43 reeds vastgelegd. Waar moest
dan gespeeld worden door het NHT? Een meevaller was dat het gezelschap van De Vos jr. gesubsidieerd
werd, zodat de financiën voor de spelers niet het grootste probleem vormden. In het verleden
was dat wel anders geweest. Zowel de toneelschrijver als -speler konden van de overheid niet veel
goeds verwachten. De Nederlandse overheid was voor de oorlog nauwelijks geïnteresseerd in
toneel, laat staan in de bekostiging daarvan. Ditzelfde verwijt gold de directies van de schouwburgen.
Er werd teveel gelet op de amusementsfactor van het toneel; een toneelstuk moest geld opleveren.
Frans Primo heeft in zijn boek Theater en dans daaraan uitvoerig aandacht besteed.
Vanaf september 1942 zal dit alles veranderen. Het NHT is er en zal van zich doen spreken.
De Vos jr. is in februari 1943 zo enthousiast over zijn gezelschap dat hij al kan beweren, dat het
NHT in de hierboven genoemde opzet is geslaagd en "dat ook het repertoire der overige
gezelschappen, aangespoord door het goede voorbeeld van het Noordhollandsch Tooneel, aanmerkelijk is
verbeterd." 13 Dat deze uitspraak enigszins pretentieus
is, is misschien nog te zwak uitgedrukt. Anderen14, ook in eigen
kring15, hebben aangegeven hoe het werkelijk is gegaan. Slecht
spel, inhoudelijk nietszeggende stukken, weinig publiek, dat was de realiteit voor dit
nationaal-socialistisch gezelschap.
Niet alleen voor de buitenwereld, maar ook voor het DVK blijft Jan C. de Vos jr. optimistisch
over het welslagen van de onderneming. In brieven16 aan Tobi
Goedewaagen geeft hij weliswaar toe dat het door het tijdstip van oprichting bijna onmogelijk was om
contracten met de schouwburgdirecties af te sluiten. De exploitatie is daardoor
"allermiserabelst" 17. Eveneens is het De Vos
jr. duidelijk geworden dat hij echt niet hoeft te rekenen op het grootste gedeelte van het publiek
en de pers. De verduistering, evacuatie en slechte vervoersgelegenheden versomberen dit beeld. Als
er nu snel beslist wordt over een continuering van de subsidie, kunnen een aantal nadelige factoren
in positieve zin worden omgebogen. Als argumenten voor de voortzetting van de subsidie noemt De Vos
jr. het grote succes van de voorstellingen. Hoewel het NHT slechts een klein publiek trekt, is het
toch zeker de moeite waard om door te gaan, aldus de intendant. Bovendien komt er nu steun van de
provincie Noord-Holland en de NSB. De Beweging wil dat het NHT een aantal voorstellingen gaat geven
van de antisemitische versie van De vos Reynaerde van Van Genechten. Als extra hulp zal de
NSB een organisatie oprichten om zoveel mogelijk kameraden de voorstellingen van het NHT te laten
bezoeken. Een schril contrast vormt Primo's rapport van 9 december 194218. Waarschijnlijk heeft Tobi Goedewaagen de aanvraag van De Vos
jr. aan Frans Primo doorgespeeld met het verzoek deze van commentaar te voorzien. De nota van Primo
is vernietigend. Na de eerste voorstellingen van Witte van Haemstede was Primo als
gastregisseur begonnen met de instudering van Philoktetes, een tragedie van Sophokles.
Zijn samenwerking met het NHT liep uit op een catastrofe wegens de onkunde van de spelers.
Daarenboven, en dat was wel het ergste, ontbrak bij de spelers zelfs de geringste toewijding voor de
grootse taak van het NHT. Dilettanten hadden meer enthousiasme getoond. Over de artistieke
prestaties is Primo eveneens ontevreden. Er ontbreken een paar goede actrices om de rol van jonge
vrouw te spelen, er is geen goede regisseur en Willy de Vos-Dunselman is een complete mislukking.
Het is volgens Primo noodzakelijk te streven naar een "fundamenteele herziening van het
gezelschap en zijn werkmethodes." 19 Vervolgens, en dit
zou men kunnen uitleggen als een motie van wantrouwen tegen De Vos jr., is het geenszins overbodig
als "er een flink, energiek, bekwaam en kunstzinnig aangelegd en ontwikkeld regisseur wordt
aangesteld, die bezielend kan inwerken op zijn spelers en die in staat is ze op te leiden." 20
De Vos jr. wringt zich in zijn correspondentie met het DVK in allerlei bochten om de problemen het hoofd
te bieden. De slechte acteerprestaties vloeien voort uit het feit dat het NHT niet beschikt over een
eigen theater om te repeteren. Omdat de groep vaak in de provincie moet optreden staat de Haarlemse
schouwburg niet altijd tot haar beschikking. Half januari 1943 was het Grand Théatre in Amsterdam
te koop voor fl. 200.000. Zou het Departement misschien.....? Een eigen schouwburg zou tevens een
ander probleem oplossen. De miserabele situatie van het NHT wordt vooral veroorzaakt door de
weigering van de schouwburgdirecties (met name die van Amsterdam en Den Haag) om voorstellingen af
te nemen. Aperte leugens vertelt De Vos jr. aan Goverts, het nieuwe hoofd van de afdeling Theater en
Dans. Het NHT zou niet alleen bij de pers en het publiek een positieve ontvangst hebben gekregen,
"doch meerdere oordeelvellingen brachten tot uiting, dat de prestaties van dit gezelschap
een betere bestaansmogelijkheid moesten worden ingeruimd."
21 Het is dus niet meer dan natuurlijk dat het Departement er bij
de verschillende gemeentebesturen op aandringt ruimte en geld beschikbaar te stellen voor het NHT.
Een nauwer contact met de NSB komt De Vos jr. uitstekend van pas. In een gesprek tussen Ledeboer van
Westerhoven en Carl Veerhoff is er van de kant van het NHT geen bezwaar geuit om leden van de NSB
toe te laten bij de verschillende voorstellingen. Het bezoek van Mussert en zijn echtgenote aan de
25e voorstelling van Rose Bernd komt voor De Vos jr. als een geschenk uit de hemel.
Hij krijgt een sterke troef in handen als blijkt dat Mussert zeer te spreken is over de geleverde spelprestaties.
"De Leider sprak de hoop uit, dat het jonge gezelschap dat reeds zoovele successen mocht
boeken, de kracht moge vinden, nog vele jaren op den ingeslagen weg voort te gaan." 22
Het Rijkskommissariaat en in het bijzonder Bergfeld, de Leiter der Kulturabteilung, worden door De
Vos jr. geïnformeerd.23 Bergfeld is heel duidelijk, hij
staat op het standpunt dat er óf een subsidie moet worden gegeven van fl. 250.000 als
financiële, ideologische en organisatorische ondersteuning óf helemaal niets. Goverts,
blijkt vooral voor de laatste oplossing geporteerd. Het niveau van de groep en het gemarchandeer van
De Vos jr. zitten hem zeer hoog. "Jan C. de Vos jr. heeft een repertoire willen kiezen dat
vleesch noch vis is. Hij heeft geen nationaalsocialistisch repertoire willen spelen. Integendeel:
zijn meeste voorstellingen waren een belediging voor de artistieke smaak en niet zelden een
regelrechte aantasting en bestrijding van nationaalsocialistische grondgedachten."
24
Toch wordt het NHT niet opgeheven. In de documentatie van het NIOD bevindt zich naast de zeer
negatieve kritiek van Goverts in zijn brief aan Bergfeld nog een schrijven, echter zonder afzender,
waarin de mogelijkheid wordt geopperd om onder een aantal strenge voorwaarden het gezelschap te
handhaven. 'Vreugde en Arbeid' zou de commerciële zijde van het NHT moeten overnemen. Dit
betekent dat het NHT een onderdeel zou worden van 'Vreugde en Arbeid' en zodoende ingezet kan worden
bij de verschillende toneelvoorstellingen, die 'Vreugde en Arbeid' jaarlijks organiseert. Enige hulp
van de NSB, om het overschot aan plaatsen in een schouwburgzaal met kameraden op te vullen, zou zeer
welkom zijn. Als De Vos jr. aan deze voorwaarden zou willen voldoen, zal het DVK alsnog een subsidie
van fl. 70.000 verstrekken. Dit bedrag zou beschouwd kunnen worden als een garantie voor de gages.
Gezien de subsidie komt er als indirecte voorwaarde bij dat het NHT voortaan niet meer zal bestaan
uit 20, maar hoogstens uit 10 acteurs.
De Vos jr. is furieus over het dichtdraaien van de subsidiekraan. Op alle mogelijke manieren
25 probeert hij de leiding van het DVK op andere gedachten te
brengen. Zo schrijft hij een brandbrief met 22 kritische vragen en opmerkingen aan Tobi Goedewaagen.
Bakker en Plekker worden, evenals Max Blokzijl, benaderd om het NHT van de ondergang te redden. De
lobby van De Vos jr. wordt beloond, het NHT mag het nog een jaar proberen met een subsidie van
fl. 130.000. Het gezelschap ontkomt niet aan een grote en volgens het DVK dringende reorganisatie op
cultureel, economisch, exploitatief en administratief gebied. Niet alleen de inspanningen van Jan C.
de Vos jr. hebben een rol gespeeld bij de handhaving van het gezelschap. Belangrijker was
"het prestige van deze poging [de oprichting van het NHT, AvdL] van het
Departement, het persoonlijke en het Departementale prestige van de initiatiefnemers. Men wilde niet
direct radicaal loslaten wat met zoveel liefde was opgezet."
26 Met andere woorden: angst voor gezichtsverlies.
Toch is er vanaf dit moment, we schrijven mei 1943, een verandering te constateren in de houding van het
Departement jegens het gezelschap. Wordt er in het begin nog de helpende hand geboden (er wordt
gesproken over de mogelijkheid, c.q. de wenselijkheid, Duitse gastregisseurs aan te trekken voor het NHT
en de afdeling opera van het G.T.A.), spoedig zal het DVK strengere eisen stellen ten aanzien van het
repertoire, de aanstelling van nieuwe toneelspelers en de besteding van het geld. Het niet inleveren
van de artistieke maandverslagen is het DVK een doorn in het oog. Als blijkt dat De Vos jr. geen
enkele versobering doorvoert27, kan men slechts wachten op het
definitieve einde. Ook op financieel terrein valt er het een en ander aan te merken. Een groot
aantal keren blijkt bij maandelijkse verslagen de kas niet te kloppen. Er worden positieve saldi
opgenomen, kasbewijzen zelf getekend en tekorten lukraak aangevuld. De declaraties van De Vos jr. en
zijn echtgenote voor gemaakte kosten (o.a. vertalingen) nemen volgens het DVK exorbitante vormen aan.
De relatie tussen het NHT en het DVK is zo verslechterd, dat de verwijten naar elkaar toe bijna de
enige vorm van communicatie zijn.
Op 13 december 1943 schrijft de secretaris-generaal van het DVK een conceptbrief aan Jan C. de Vos
jr. met de mededeling dat het NHT als stichting wordt opgeheven. De Vos jr. wordt als intendant
ontslagen. Hij heeft niet voldaan aan een aantal van de 12 voorwaarden, die verbonden waren aan de
subsidie, genoemd in een brief van 10 september 1942. Ambtelijk somt De Ranitz op28:
1. Er is nog steeds geen exploitatiebegroting ontvangen die nauwkeurig gespecificeerd en van een
toelichting voorzien is.
2. De vereiste artistieke maandrapporten zijn in het begin nooit verschenen. Na herhaalde druk
vanuit het DVK werden ze een aantal malen ingediend. De laatste maanden zijn ze weer achterwege
gebleven.
3. Steeds werden er stukken op het repertoire genomen die slechts in zeer grote tijdnood door het
DVK konden worden goedgekeurd.
4. Niet alleen wordt een dalend niveau bij de keuze van de stukken gesignaleerd, ook de uitvoeringen
laten zeer te wensen over.
5. Sommige stukken, die wel goedgekeurd zijn, worden slechts even gerepeteerd (de
modelboerderij) en verdwijnen daarna van het repertoire. Andere stukken (Moral)
worden ter goedkeuring opgestuurd, maar blijken niet realiseerbaar te zijn. Een stuk, Alle
gegen Einen, Einer für Alle van Friedrich Forster, dat door het DVK wordt voorgesteld,
wordt zelfs niet in studie genomen, terwijl het een nationaal-socialistisch stuk is.
6. Dat er een aantal mensen is weggegaan is op zich niet zo erg, maar het verloop is wel erg groot.
De sfeer is door De Vos jr. verpest, zodat zelfs toegewijde krachten als Ton van Otterloo of Harry
Emmelot niet meer voor het NHT willen spelen.
7. Er gaat geen bezieling en kracht uit van de regie van Jan C. de Vos jr.. De voorbereiding en
uitvoering van Twee edellieden van Verona berustte bij een onervaren kracht als Ton van
Otterloo, die niet door De Vos jr. werd geholpen.
8. Zakelijk heeft De Vos jr. gefaald. De accountantsrapporten hebben dit voldoende aangetoond.
De Vos jr. heeft zich met buitensporige bedragen verrijkt, de sejourkosten waren veel te hoog.
Een nieuw gezelschap
Het seizoen zal nog worden afgemaakt, maar daarna volgt onherroepelijk de opheffing van het
gezelschap. Op 21 januari 1944 gaat de ontslagbrief van De Vos jr. de deur uit. Deze brief is in
algemenere termen gesteld dan de conceptbrief van 13 december 1943. Een nieuw argument is de schade
die De Vos jr. heeft toegebracht aan het aanzien van het nationaal-socialisme in toneelkringen.
Daarnaast staat nu zwart op wit dat "de Intendant te weinig is opgegaan in zijn
ideële taak en te veel aandacht heeft besteed aan zijn eigen materieel welzijn."
29 Binnen de NSB is men tegelijkertijd tot dezelfde conclusie
gekomen. Zowel vanuit het DVK als vanuit de NSB zal gewerkt worden aan een hergroepering, zowel op
ideologisch als artistiek gebied.
Nu bekend is geworden dat het NHT aan het einde van het seizoen 1943/44 zal ophouden te bestaan,
wordt de vuile was pas echte buiten gehangen. De sfeer in het gezelschap is nu totaal verziekt.
Carl Veerhoff, de zakelijk leider, start de roddelcampagne. De problemen begonnen al bij het eerste
stuk, Witte van Haemstede. De rol van Ada werd gegeven aan een zwangere actrice. Toen de
première naderde moest Willy de Vos-Dunselman de rol in een week leren.
In Rose Bernd moest de vrouw van de regisseur de hoofdrol spelen, terwijl het NHT de beschikking had over Mien
Duymaer van Twist. De repetities van de verschillende toneelstukken werden lusteloos geleid. De
tekst werd opgezegd in plaats van gespeeld. Annie Frauenfelder weigerde voor 6 woordjes 6 weken
mee te gaan op tournee. Jan C. de Vos jr. heeft zich na zijn ontslag als intendant verongelijkt uit
de hele onderneming teruggetrokken en hij weigert zelfs als acteur mee te werken voor de laatste
maanden. Na deze kritiek is Carl Veerhoff tot de conclusie gekomen dat het beter is dat hij vertrekt
bij het NHT; met zijn schrijven probeert hij indirect te solliciteren naar een baantje bij de omroep,
als spreekdirecteur bij de nieuwe 'Kultuurrubriek'.
Het oprichten van een nieuw gezelschap kan in theorie aardig zijn, in de praktijk is men echter
aangewezen op dezelfde spelers en regisseurs. Op 14 maart 1944 worden op het departement de nieuwe
plannen besproken. Tot 15 september zal het NHT nog blijven bestaan, daarna komt er een beperkter
nieuw gezelschap met de naam 'Tooneelgezelschap Willem van der Veer'. In feite verandert er niet veel.
Van der Veer, Veerhoff en De Vos jr. blijven de belangrijkste figuren. Willy de Vos-Dunselman staat
echter niet meer op de begroting30.
De affaire heeft nu meer weg van een driestuiversoperette dan van artistiek leiding geven aan een
nieuw toneelgezelschap. Aan de ene kant blijft het DVK stukken aandragen voor het zieltogende NHT,
die echter nooit opgevoerd kunnen worden. Aan de andere kant maken Veerhoff, Van der Veer en De Vos
jr. ruzie om het leiderschap van het nieuwe gezelschap. Veerhoff wil niet samenspelen met De Vos
jr.. In zijn ogen wordt De Vos jr. beloond voor zijn gemarchandeer. Het DVK kan De Vos jr. niet de
laan uitsturen, in zeker opzicht is hij een bekende naam en dus een publiekstrekker. Veerhoff komt
zelfs met een eigen voorstel ten aanzien van een nieuw gezelschap. Ook hij dient een begroting
31 in bij het DVK. Hij is echter niet de enige, ook Baars en
Emmerik benaderen het departement met hun ideeën voor een nieuw op te richten gezelschap.
Begin april is de situatie voor het DVK duidelijk: Jan C. de Vos jr. wordt door zijn eigen collega's
niet meer gewaardeerd, hij dient derhalve het veld te ruimen.
Zeer verheugd bericht Carl Veerhoff een paar dagen later aan het DVK over een geslaagd optreden in
Groningen. Sterenberg, de directeur van de schouwburg, is zeer enthousiast over de nieuwe
enscenering van Witte van Haemstede (dus zonder Jan C. de Vos jr. en Willy de
Vos-Dunselman). Een aantal avonden voor het volgende seizoen zijn al besproken.
Op het departement worden de plannen voor het nieuwe seizoen uitgewerkt. Het voorstel van Carl
Veerhoff wordt het uitgangspunt voor het nieuwe beleid. De subsidie bedraagt Fl. 38.220. Erg veel
kan er van dit beleid niet uitgevoerd worden, want nadat De Vos jr. van het toneel is verdwenen,
breekt er een ruzie uit tussen Veerhoff en Van der Veer. De afkeuring van een toneelstuk door een
rapporteur van het DVK wordt beschouwd als een sabotagedaad van de een, de aanstelling van een
toneelmeester is het duivelse werk van de ander. Willem van der Veer schijnt nog steeds, aldus
Veerhoff, onder een hoedje te spelen met De Vos jr. en diens echtgenote. Ootmoedig biedt
Veerhoff aan zich terug te trekken uit de leiding van het gezelschap. De ruzie wordt nog opgestookt
als door Veerhoff aan de verschillende leden van het gezelschap gevraagd wordt of ze bereid zijn
onder Willem van der Veer te werken. Laatstgenoemde beschouwt dit op zijn beurt als een motie
van wantrouwen. De verdachtmakingen worden zo grof, dat het DVK besluit niet meer verder te gaan met
wie dan ook van het NHT. Met een gezelschap, dat opgedeeld is in twee vijandige kampen, valt niet te werken.
Zelfs een uiterste reddingspoging van Willem van der Veer heeft geen succes.32 Om de toneelspelers niet reddeloos aan hun lot over te laten
doet het departement nog enige moeite Van der Veer c.s. onder te brengen bij Strengholt, die zelf
een aantal theaters beheert. Toscanini zou ook geïnteresseerd zijn een aantal spelers van het
voormalige NHT over te nemen. In ieder geval peinst de leiding van het DVK bij monde van De Ranitz
er niet over met de ruziemakers in zee te gaan, zeker niet nu de artistieke prestaties zo slecht
zijn als bij het laatste stuk Pantoffelhelden wordt gesignaleerd.
In juni 1944 volgen de laatste voorstellingen tijdens een tournee langs de werkkampen in de
Noordoostpolder. Voor de buitenwereld is alles pais en vree. "Er wordt goed werk
verricht in de polder" luidt een juichende recensie in Het Volk.
33 De werkelijkheid is echter dat bij twee voorstellingen niemand
aanwezig was, een derde voorstelling telde 10 man publiek. De laatste avond kwamen er nog 60
bezoekers, maar die keerden na de pauze niet meer terug.
Het NHT heeft daarna nooit meer gespeeld.
1 Statuten NHT, artikel 2; NIOD, DVK-archief, map 180 Cb.
2 Jan C. de Vos jr.. Het Noord-Hollandsch Tooneel. In: Maandblad van de
Nederlandsche-Duitsche Kultuurgemeenschap, februari 1943, blz. 13 en 14.
3 Een jong tooneel met een jongen geest. Vraaggesprek met Jan C. de
Vos jr.. In: Het Nationale Dagblad, 11 maart 1943, blz. 2.
4 S. Modderman. In nieuwe banen? In: De Waag, 1942, blz. 1299.
5 Nota van Van der Klugt aan Goedewaagen, 9 juli 1942. NIOD, DVK-archief, map 180 Ca.
6 Zie het artikel van mijn hand over het Stedelijk Utrechts Tooneelgezelschap op deze site http://www.tin.nl/wo2/index.htm
7 Brief van Goedewaagen aan De Vos jr., ongedateerd, waarschijnlijk 10 september 1942. NIOD, DVK-archief, map 180 Ca.
8 F. Primo. Kritische verwarring. In: De Waag, 1942, blz. 1387.
9 Ibidem.
10 Een jong tooneel met een jongen geest, blz. 2.
11 Ibidem.
12 Ibidem.
13 Jan C. de Vos jr. Het Noord-Hollandsch Tooneel, blz. 14.
14 Hans Tiemeyer. Weg met de Witz. In: Bericht van de Tweede Wereldoorlog.
Amsterdam, Leiden en Haarlem, 1970. Blz. 938.
Hans Mulder. Kunst in crisis en bezetting. Utrecht, Antwerpen, 1978. Blz. 248-
252.
15 Recensenten van De Waag, De Schouw en (soms) Cinema en Theater hebben het NHT vaak kritisch gevolgd.
16 Brief van Jan C. de Vos jr. aan Goedewaagen, d.d. 2 november en 5 december 1942. NIOD, DVK-archief, map 180 Cb.
17 Idem noot 16. Brief 5 december 1942.
18 Rapport van Primo, 9 december 1942. NIOD, DVK-archief, map 180 Cb.
19 Rapport van Primo, idem noot 18.
20 Ibidem.
21 Brief Jan C. de Vos jr. aan het hoofd van de afdeling Theater en Dans, 13 januari 1943. NIOD, DVK-archief, map 180 Cc.
22 Brief van Jan C. de Vos jr. aan het hoofd van de afdeling Theater en Dans,
19 januari 1943. De geciteerde passage is terug te vinden in een van de aangehechte recensies. NIOD,
DVK-archief, map 180 Cc.
23 Het zal geen verbazing wekken dat hier wederom sprake is van gekleurde informatie.
Ook Goverts, werkzaam bij het DVK, is deze mening toegedaan. Antwoord Goverts aan Bergfeld (in
concept) NIOD, DVK-archief, map 180 Cc.
24 Ibidem.
25 In een latere studie wordt uitgebreid bericht over de subsidieperikelen van het NHT.
26 Notitie van Snijder aan De Ranitz, 29 april 1943. NIOD, DVK-archief, map 180 Cd.
27 Dit blijkt o.a. uit een vergelijking van de begrotingen over de speeljaren 1942/43
en 1943/44. Deze begroting is als bijlage 1 opgenomen.
28 Conceptbrief van De Ranitz aan Jan C. de Vos jr. NIOD, DVK-archief, map 180 Db.
29 Brief van De Ranitz aan Jan C. de Vos jr. jr., 21 januari 1944. NIOD, DVK-
archief,
map 180 Dc.
30 Zie voor de begroting 'Tooneelgezelschap Willem van der Veer' bijlage 2.
31 Zie bijlage 3. In een nawoord oppert Veerhoff de mogelijkheid een fusie aan te gaan
met Hooykaas. Zou het gezelschap dan wel over een schouwburg kunnen
beschikken is zijn vraag.
32 Begroting gezelschap 'Willem van der Veer' seizoen 1944/45, tweede versie;
zie bijlage 4.
33 Het Volk, 15 juni 1944.
|